We praktizeren, we volgen en spiritueelpad om in de verwarrende veelvoud van alledag de  eenvoud, het Ene, te ervaren – het is allemaal niet ver weg, het is in feite geen haarbreed verwijderd, nader dan ik mijzelf, en toch, en toch…de weg erheen is lang, oneindig lang, omdat ik het niet kan bewerkstelligen.

Ons krachtig vasthouden aan ‘ik’ hindert ons. Hoe vaak zeggen we niet: ik denk, ik heb een idee, ik wil dit, ik wil dat weten, ik voel dit of dat. Maar wie of wat is ‘ik’? We zijn als  een golf in een onmetelijke oceaan, vloeibaar, we hebben niet iets in of tot ons bezit – we zijn alles – ons gevoel, emotie, gedachten, bewustzijn. We zijn een bundeling daarvan, een instabiele, beweeglijke, kwetsbare bundeling die voortdurend overvloeit in de verschijnselen om ons heen, in alles, dichtbij en ver weg, eenvoudig omdat we onlosmakelijk verbonden zijn met alles en iedereen. Waarom zou je nog aan iets vasthouden als het niet kan?

 

Het zitten in stilte maar ook onze acties in het alledaagse leven vragen om oprechtheid, openheid, ontvankelijk zijn, recht doen aan onze onverbrekelijke verbondenheid met alles. Meditatie – het leren ‘laten’ van wat er opkomt – is een vorm van zelfonderzoek, van (zelf)confrontatie, per definitie. We houden onszelf letterlijk tegen het Licht. En we komen van alles tegen, emoties, gevoelens, gedachten. Ook wat we liever niet willen zien, ook angst en de dingen waar we bang voor zijn. Dat is wat afdalen in jezelf doet – je komt steeds weer nieuwe lagen van energie tegen waarin zich ervaringen, meningen, gevoelens en emoties hebben vastgezet. Het is zaak het te onderzoeken, niet zozeer om ervan af te komen. We zetten onszelf heel gauw gevangen, met onze ideeën over onszelf en anderen. Het gaat er daarbij niet om van ideeën af te komen maar om ze te ‘laten’, er niet iets mee te doen, als wolken die voorbij drijven. Ik denk dat daar het aspect van menswording werkzaam is. In het Licht zijn we in staat onszelf te aanvaarden, dat we in de kern goed zijn zoals we zijn, dat helpt ons over bepaalde zaken heen te komen, ervaringen te integreren en ook te werken aan onszelf. Het is gaan zien dat onze natuur goddelijk van aard is (maar dat dit geen verdienste geeft of iets is waar we ons op kunnen beroepen) en tegelijkertijd dat we diep menselijk zijn, met al onze zwaktes en sterkten. Spiritualiteit is wat mij betreft het leren onderkennen, herkennen en doorgronden van patronen en onze conditionering. Die patronen en conditionering maken ons ook wie we zijn als mens, als persoon. En we komen ze overal in het dagelijks leven tegen.

Hier ligt dus de paradox: enerzijds gaat het eeuwige Licht door ons heen en dragen we dat Licht met ons mee en anderzijds leiden we een sterfelijk leven. Het spirituele pad is nu om gaandeweg beiden als niet losstaand van elkaar maar als één te ervaren, anders gezegd, te zien dat het Licht de basis en bron van ons bestaan IS en altijd al was en zal zijn. Daarom zeggen we ook: nirvana = samsara. Het eeuwige drukt zich uit in het sterfelijke, het vergankelijke. Onder de beweging van een kopje thee optillen, schuilt het hele universum. Als we spreken, spreekt het Licht, het goddelijke door ons heen. We zijn geschapen naar Gods beeld. Voor mij is het kruisbeeld een prachtig beeld van die paradox. De horizontale balk is onze reis, ons leven in de tijd. De verticale balk is de eeuwigheid, altijd geworteld in en werkzaam vanuit NU. Waar de balken elkaar kruisen, daar zijn wij, daar vindt alles plaats, leven en dood. Heel vaak verwijlen en dwalen we op de horizontale balk. Waar we de eenheid ervaren, is het kruispunt, precies daar waar je nu bent (was en altijd zult zijn). En de ervaring daarvan kan inderdaad een moment van sterven, van wedergeboorte zijn.

Foto: Lisanne

Wat door alle mystici in de religieus en culturen doorheen alle eeuwen wordt beschreven, is de weg van de sterfelijke mens die zoekt naar een antwoord op vragen rond de essentie en terugvindt tot (de eeuwige wezens)kern van het bestaan, hier en nu. Het is een weg van her-innering – we herinneren ons en ver-innerlijken wie of wat we ten diepste zijn en wat de aard van dit bestaan, onze aard, is.

De Japanse zenleraar Dogen (11e eeuw) omschreef het spirituele pad aldus:

Het boeddhisme bestuderen is jezelf bestuderen.
Jezelf bestuderen is jezelf vergeten.
Jezelf vergeten is ontwaken door alles wat zich voordoet.
Ontwaken door alles wat zich voordoet is de bevrijding/ontwaken
van je eigen lichaam en geest en die van anderen.
Geen spoor van ontwaken blijft over en dit spoorloze
ontwaken in eindeloos.

Wat er op dit pad feitelijk gebeurt, en daar zit het trainingselement, is de realisatie van een grote paradox. We houden onszelf voor dat we als individu op zoek zijn naar van God of Boeddhanatuur om er vervolgens achter te komen dat dat ‘het’ altijd al aanwezig was en ons in wezen op weg zette. We ontwaken uiteindelijk tot het Licht dat zich in alles en iedereen uitdrukt – vandaar de grote realisatie van de Boeddha in zijn nacht van ontwaken: hij zag dat onze wezensnatuur de sterren, de maan, de bergen en oceanen omvat. Een dat die hee natuur in onszelf, in onze geest aanwezig is. Zoals Jezus zegt: Het Koninkrijk Gods (de oneindige geest) is in u. Kijk naar de sterren, de maan, de oceanen en de bergen en ervaar: er is niets wat tussen mij en de sterren staat – we zijn één in de alomvattende geest die ons met alles verbindt.

Ons spirituele pad is de lange (eindeloze) weg om de directe ervaring van dat eeuwige Licht te integreren in ons dagelijks leven, als zijnde ons dagelijkse leven. Het is het door en door gaan zien en ervaren dat het Licht er altijd is, dat het zich (in onze geest) van moment tot moment als de totale wereld en het universum ontvouwt. Nico Tydeman zei eens: we zoeken Licht, maar we zijn Licht! Elk moment is de volle en nieuwe manifestatie ervan. Waarom dit pad zo veel tijd vergt, is omdat we zo eigenwijs (en niet zelden zo ongelovig erover) zijn. We denken: nee, het Licht, God kan nooit zó nabij zijn, dat is mij niet gegeven, het is te veel, het is onmogelijk. Maar gaandeweg en onvermijdelijk ervaren we die nabijheid meer en meer. Daarom heet het in Psalm 139 kortgezegd ook: ‘Gij zijt mij nader dan ik mijzelf’. God is het scheppende Grote principe. We leren het Licht (God, Boeddhanatuur of de Scheppende Energie) te vertrouwen en meer en meer in het bewustzijn toe te laten (we noemen het Licht ook wel het Grote Principe van de bewustzijnsbron). Maurice noemt dit langdurige proces van integratie en het leren ernaar te leven het afdalen van de berg – in je dagelijks leven handen en voeten geven aan het Licht. Spiritualiteit begint voor velen met zitten op het kussen of op een zitbankje maar daar eindigt het niet. Uiteindelijk leren we via meditatie/contemplatie het Licht in ons leven te ervaren en actief in het dagelijks leven te brengen en aldus een meditatief leven te leiden.

Foto: Lisanne