Graag plaats ik hier een citaat van een Sjamaan uit het Amazonegebied: ‘Uit deze open plek zonder tijd komt de kracht. Door dit hart groeien wortels onder de grond. Hierdoor groeien de takken naar de hemel toe. In dit zaadje zit de kracht die alles boven ons en onder ons verenigt. De kracht waardoor dieren ademen. Waardoor mensen lopen. Deze plek kunnen alleen wij eeuwigen binnen gaan. Velen willen de sleutel om zich er meester van te maken. Zij snappen niet dat het doel anders is. Dat is het bereiken en bewaren van de heilige kennis van de aarde. Zij snappen niet dat ons hart dankzij haar klopt. En die hartslag houdt ons bijeen. Dit is het bewustzijn van het universum. Wie daar binnen gaat beseft: We behoren onszelf niet meer toe, we maken overal deel van uit.’

Dat ‘overal’ is een ruimte die geen beperkingen kent, waarin alles is en er mag zijn. De ruimte waar geen tijd is laat geen mens met egoïstische motieven toe. Dan blijft de deur gesloten en de eenheid van het hart verborgen. Eenheid vraagt om overgave, jezelf vergeten en achterlaten. Dat is wat wordt bedoeld met ‘wij eeuwigen’. Wij zijn eeuwig van nature, onze kern is eeuwig, vol kracht, vol energie en verenigt alles. De Sjamaan citeert in eigen bewoordingen het principe van het Koninkrijk Gods in ons. Hoewel het de kracht is die alles schept, die zich in ons manifesteert kan niemand er zomaar binnen gaan. De eersten zullen de laatsten zijn. Enkel wie arm is (volledig open en onbevangen) van geest en kan zijn als de kinderen heeft er toegang toe. Dan wordt helder dat we in de kern onszelf niet toebehoren, en dat we, wat in zen de Grote Weg wordt genoemd, al gaan. De Grote Weg, ofwel het hart waarvan de Sjamaan rept, de open geest, het Koninkrijk Gods. Daarin is alles waarvan we altijd al deel hebben uitgemaakt. Het is nooit anders geweest.

We leren over het onmetelijke dat we met ons meedragen door ons door de situatie bij de hand te laten nemen en te luisteren naar wat die ons vertelt, door daar van te leren, steeds weer en door steeds weer opnieuw onze hechting aan het geleerde en aan het oude achter te laten en nieuwe, ongebaande paden te betreden. Dát is onze levensweg. Alleen zo kunnen we ons bevrijden van ontregelende gehecht-heden. We zijn er niet om de wereld of om anderen te veranderen of te verbeteren maar om Gods gelaat te zien in alles wat zich voordoet en in alles wat is en om je daaraan te laven, het vol in te ademen (in vreugde en verdriet) en langs die weg als mens te groeien,door te handelen. Steeds opnieuw, elke dag weer. In die zin hebben we ons leven zelf in de hand, als we leren luisteren naar dat leven, niet door ons te klampen aan wat er in ons opkomt maar door wat het volgende moment ons vertelt.

Rinzai en Soto zijn de twee grote stromingen die in eeuwen van ontwikkeling waarin tal van scholen en nieuwe stromingen het licht zagen, kwamen bovendrijven. Beide lijnen vinden hun oorsprong in het 7e- en 8e eeuwse China. Ze markeerden de bloeitijd van Ch’an in de Tang-dynastie (618- 907). In de 11e-12e eeuw vond de oversteek van beide lijnen naar Japan plaats. Hakuin Ekaku Zenji (1686-1769), geldt als een van de grote Japanse zenleraren van Rinzai van de laatste eeuwen.

Hij stamt uit een dorp aan de voet van Mount Fuji en verbleef het grootste deel van zijn leven in het klooster Shōin-ji in die regio. Op 31-jarige leeftijd werd hij er priester en ontving hij zijn boeddhistische naam Hakuin, wat zoveel betekent als ‘gehuld in wit’, refererend aan Mount Fuji. Hakuin had, na eerdere momenten van verlichting in zijn leven, zijn echte grote ervaring toen hij 41 was. Hij schreef veel – teksten en verzen, hij liet zijn werk drukken en citeerde er zelf uit in zijn teisho’s.

Hakuin was zenleraar in een traditie die al enkele eeuwen lang onderhevig was aan verval. Er werd volop gehandeld in koans, boeddhistische functies en in tal van kloosters was meer aandacht voor zogenaamde zenkunsten dan voor gedisciplineerde zentraining. Hakuin’s voorgangers, als Gudo Toshoku en Shidô Bu’nan, hadden deze ontwikkeling al bekritiseerd en diepgaand betreurd. Het is Hakuin’s enorme verdienste dat hij de koanstudie, die hij hoog inschatte, opnieuw ordende en vorm gaf. Hij benadrukte het eminente belang van de voortzetting van de zentraining na het realiseren van ontwaken, als weg van verdere loutering en zuivering. De rode draad van het boeddhistische pad was volgens Hakuin het praktiseren van ‘diepe compassie en verbondenheid teneinde alle wezens waar ook terzijde te staan’.

In een van zijn werken staat deze koan: ‘Priester Wu-tsu Fa-yen instrueerde de gemeenschap: ‘Eet het fruit! Maak je niet druk over de vorm en kromming van de boom.’

De genoemde koan duidt op een belangrijk, ja wezenlijk, aspect: blijf niet hangen in analyses van woorden over zen die je hoort of leest, denk niet dat ontwaken afhangt van meditatie, raak niet verstrikt in je eigenzinnigheid (je ego doet niets liever). Eet het fruit: dring door tot de waarheid van je geest! Het doet denken aan een koan uit de vroeg Chinese Ch’an tijd: ‘Vergeet het vangnet, grijp de vis’.

Soto-leraar Dogen Zenji spreekt van ‘Lichaam en geest laten vallen’ teneinde in het Licht van de onmiddellijkheid te staan. Zo nabij, zo lastig te realiseren. Het is en blijft bijzonder dat door de eeuwen heen een enorme traditie is ontwikkeld, met talloze soetra’s, rituelen en ceremonies, enkel om ons erop te wijzen: het is hier, onder je voeten, daar gebeurt het, het is je geest waar alles ontstaat en verdwijnt, zoek niet verder!

(Foto: Hakuin Ekaku, zelfportret, Eisei Bunko Foundation)