Rinzai en Soto zijn de twee grote stromingen die in eeuwen van ontwikkeling waarin tal van scholen en nieuwe stromingen het licht zagen, kwamen bovendrijven. Beide lijnen vinden hun oorsprong in het 7e- en 8e eeuwse China. Ze markeerden de bloeitijd van Ch’an in de Tang-dynastie (618- 907). In de 11e-12e eeuw vond de oversteek van beide lijnen naar Japan plaats. Hakuin Ekaku Zenji (1686-1769), geldt als een van de grote Japanse zenleraren van Rinzai van de laatste eeuwen.

Hij stamt uit een dorp aan de voet van Mount Fuji en verbleef het grootste deel van zijn leven in het klooster Shōin-ji in die regio. Op 31-jarige leeftijd werd hij er priester en ontving hij zijn boeddhistische naam Hakuin, wat zoveel betekent als ‘gehuld in wit’, refererend aan Mount Fuji. Hakuin had, na eerdere momenten van verlichting in zijn leven, zijn echte grote ervaring toen hij 41 was. Hij schreef veel – teksten en verzen, hij liet zijn werk drukken en citeerde er zelf uit in zijn teisho’s.

Hakuin was zenleraar in een traditie die al enkele eeuwen lang onderhevig was aan verval. Er werd volop gehandeld in koans, boeddhistische functies en in tal van kloosters was meer aandacht voor zogenaamde zenkunsten dan voor gedisciplineerde zentraining. Hakuin’s voorgangers, als Gudo Toshoku en Shidô Bu’nan, hadden deze ontwikkeling al bekritiseerd en diepgaand betreurd. Het is Hakuin’s enorme verdienste dat hij de koanstudie, die hij hoog inschatte, opnieuw ordende en vorm gaf. Hij benadrukte het eminente belang van de voortzetting van de zentraining na het realiseren van ontwaken, als weg van verdere loutering en zuivering. De rode draad van het boeddhistische pad was volgens Hakuin het praktiseren van ‘diepe compassie en verbondenheid teneinde alle wezens waar ook terzijde te staan’.

In een van zijn werken staat deze koan: ‘Priester Wu-tsu Fa-yen instrueerde de gemeenschap: ‘Eet het fruit! Maak je niet druk over de vorm en kromming van de boom.’

De genoemde koan duidt op een belangrijk, ja wezenlijk, aspect: blijf niet hangen in analyses van woorden over zen die je hoort of leest, denk niet dat ontwaken afhangt van meditatie, raak niet verstrikt in je eigenzinnigheid (je ego doet niets liever). Eet het fruit: dring door tot de waarheid van je geest! Het doet denken aan een koan uit de vroeg Chinese Ch’an tijd: ‘Vergeet het vangnet, grijp de vis’.

Soto-leraar Dogen Zenji spreekt van ‘Lichaam en geest laten vallen’ teneinde in het Licht van de onmiddellijkheid te staan. Zo nabij, zo lastig te realiseren. Het is en blijft bijzonder dat door de eeuwen heen een enorme traditie is ontwikkeld, met talloze soetra’s, rituelen en ceremonies, enkel om ons erop te wijzen: het is hier, onder je voeten, daar gebeurt het, het is je geest waar alles ontstaat en verdwijnt, zoek niet verder!

(Foto: Hakuin Ekaku, zelfportret, Eisei Bunko Foundation)

Wat dit leven schept verlaat ons nimmer

In iedere handeling, in elke  gedachte,

In al ons gevoel schuilt het onmetelijke

Het is de kracht, de troost

De liefde, de grond waarin we allen zijn

het is ons zien, ons spreken en aanraken

Ons bewegen en bidden

Het licht in onze ogen

Wij zijn als klei in de handen

Van het scheppende

Dat ons vormde en vormt naar het eigen beeld

En in dat beeld, precies zoals het is

Ontbreekt niets –

In alles, ieder ogenblik klinkt het fluisteren

Vrees niet, twijfel niet

Ik heb je lief, tot in eeuwige dage

(foto: Scott Webb-Pexels)

Het spirituele pad is de verschuiving van ‘ik’ naar ‘niet-ik’ en vervolgens het leren voorleven van die ervaring van ‘niet-ik’ (of eenheid) in ons alledaagse leven. Dat is een levenslang durend nooit eindigend proces. Het is boeiend van begin tot einde, enorm dynamisch, vol vreugde en verdriet waarin we telkens weer nieuwe en onvermoede kanten van onszelf tegenkomen en (kunnen) ontplooien. We leren onze patronen en conditionering ontdekken en ook waarderen – ons verleden en al onze banden met de familie maken ons grotendeels ook wie we als persoon zijn. Sommige patronen kunnen we wellicht transformeren, anderen minder. Dat onderzoeken is deel van het spirituele proces. In de meditatie heten we alles wat opkomt welkom. We leren wat opkomt te ‘laten’, niet te voeden, niet groter of kleiner maken dan het is. Gewoon ‘laten’. Komt er weerstand op, gewoon laten komen EN laten gaan. Waarbij er uiteraard altijd de mogelijkheid (en soms noodzaak) is te onderzoeken waar weerstand of andere gevoelens, gedachten en emoties hun grond vinden, niet als ego-activiteit maar om de natuurlijke verbinding te verdiepen. Door meer en meer in onszelf te zakken (afdalen in ons bewustzijn, aldus Johannes van het Kruis) komen we letterlijk onszelf tegen en kunnen we knopen die vastzitten ontvlechten en de energie daarin de vrije loop laten.

Ongeacht in welke situatie we zijn, het is van belang dat we diepgaand ervaren dat we een weg gaan en dat we die weg belichamen, of we nu weerstand voelen of niet. De weg, dat is de ‘geest’ of bron die zich in alles en iedereen uitdrukt en waarvan niets of niemand uitgesloten is. Elk moment rijst alles op als reflectie van die bron en in hetzelfde moment verdwijnt het weer. Het gaat naadloos en in dat naadloze (of Ongeborene) zijn verleden, heden en toekomst EEN. In de momenten van overgave (momenten van volledige, onverdeelde aanwezigheid) kunnen we vervuld raken van alle gaven en kan die enorme energie zich in ons mens onweerstaanbaar uiten in grote liefde, compassie en medeleven.

(foto: Tina Nord -Pexels)