Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen.
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.
De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.
De spirituele weg – een proces van her-innering
Wat door alle mystici in de religieus en culturen doorheen alle eeuwen wordt beschreven, is de weg van de sterfelijke mens die zoekt naar een antwoord op vragen rond de essentie en terugvindt tot (de eeuwige wezens)kern van het bestaan, hier en nu. Het is een weg van her-innering – we herinneren ons en ver-innerlijken wie of wat we ten diepste zijn en wat de aard van dit bestaan, onze aard, is.
De Japanse zenleraar Dogen (11e eeuw) omschreef het spirituele pad aldus:
Het boeddhisme bestuderen is jezelf bestuderen.
Jezelf bestuderen is jezelf vergeten.
Jezelf vergeten is ontwaken door alles wat zich voordoet.
Ontwaken door alles wat zich voordoet is de bevrijding/ontwaken
van je eigen lichaam en geest en die van anderen.
Geen spoor van ontwaken blijft over en dit spoorloze
ontwaken in eindeloos.
Wat er op dit pad feitelijk gebeurt, en daar zit het trainingselement, is de realisatie van een grote paradox. We houden onszelf voor dat we als individu op zoek zijn naar van God of Boeddhanatuur om er vervolgens achter te komen dat dat ‘het’ altijd al aanwezig was en ons in wezen op weg zette. We ontwaken uiteindelijk tot het Licht dat zich in alles en iedereen uitdrukt – vandaar de grote realisatie van de Boeddha in zijn nacht van ontwaken: hij zag dat onze wezensnatuur de sterren, de maan, de bergen en oceanen omvat. Een dat die hee natuur in onszelf, in onze geest aanwezig is. Zoals Jezus zegt: Het Koninkrijk Gods (de oneindige geest) is in u. Kijk naar de sterren, de maan, de oceanen en de bergen en ervaar: er is niets wat tussen mij en de sterren staat – we zijn één in de alomvattende geest die ons met alles verbindt.
Ons spirituele pad is de lange (eindeloze) weg om de directe ervaring van dat eeuwige Licht te integreren in ons dagelijks leven, als zijnde ons dagelijkse leven. Het is het door en door gaan zien en ervaren dat het Licht er altijd is, dat het zich (in onze geest) van moment tot moment als de totale wereld en het universum ontvouwt. Nico Tydeman zei eens: we zoeken Licht, maar we zijn Licht! Elk moment is de volle en nieuwe manifestatie ervan. Waarom dit pad zo veel tijd vergt, is omdat we zo eigenwijs (en niet zelden zo ongelovig erover) zijn. We denken: nee, het Licht, God kan nooit zó nabij zijn, dat is mij niet gegeven, het is te veel, het is onmogelijk. Maar gaandeweg en onvermijdelijk ervaren we die nabijheid meer en meer. Daarom heet het in Psalm 139 kortgezegd ook: ‘Gij zijt mij nader dan ik mijzelf’. God is het scheppende Grote principe. We leren het Licht (God, Boeddhanatuur of de Scheppende Energie) te vertrouwen en meer en meer in het bewustzijn toe te laten (we noemen het Licht ook wel het Grote Principe van de bewustzijnsbron). Maurice noemt dit langdurige proces van integratie en het leren ernaar te leven het afdalen van de berg – in je dagelijks leven handen en voeten geven aan het Licht. Spiritualiteit begint voor velen met zitten op het kussen of op een zitbankje maar daar eindigt het niet. Uiteindelijk leren we via meditatie/contemplatie het Licht in ons leven te ervaren en actief in het dagelijks leven te brengen en aldus een meditatief leven te leiden.
Foto: Lisanne
‘Het leven in mij heb ik weten te bereiken’ – Etty Hillesum (1914-1943)
In deze maanden wordt de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden herdacht. (zie de NOS-site). We herdenken de bezetting, ook die in vele andere landen, de gruwelijke onderdrukking en de immense gevolgen, de vele miljoenen mensen die in die oorlog stierven. We beseffen niet altijd dat die oorlog destijds wereldwijd aan 55-70 miljoen mensen het leven heeft gekost. Onvoorstelbaar. De waan van sommigen kan miljoenen in zijn greep krijgen en eenmaal ontketend is de kracht van het geweld amper of zelfs niet meer te beheersen.
Een van de personen die er aan den lijve mee werd geconfronteerd, is Etty Hillesum, een jonge Joodse schrijfster die in maart 1941, ze was toen 27, een dagboek begon. Ze bleef daarin schrijven, evenals in vele brieven, bijna tot op de dag dat ze vanuit kamp Westerbork, waar ze vanaf eind juni 1942 met tussenpozen zat, met haar ouders en haar broer Mischa naar Auschwitz werd deporteerd. Daar overleed ze op 30 november 1943. Vermoord, omdat ze Joods was. Etty volgde een pad van inkeer, een spirituele weg, als autodidact, geheel op eigen kracht, een kracht die haar verlangen naar zingeving aanwakkerde, een kracht die haar deed uitstijgen boven de weerbarstigheid, boven de gevaren en boven de waanzin van alledag. Niet door dit alles te omzeilen of te ontkennen maar juist door alles toe te laten, zich ervoor open te stellen, zonder reserve, onvoorwaardelijk, door dit alles te verteren als zijnde haar bestaan en aldus door te dringen tot de diepten van alle dingen.
Een belangrijke gewaarwording in haar vroege schrijfperiode is wanneer ze beseft hoe ‘zinnelijk’, ja ‘hebberig’ ze is, dat ze datgene naar waar ze lichamelijk sterk verlangt, wil hebben, een verlangen dat langs die weg ‘nooit te bevredigen was’. Ze ontdekt dat ze door naar buiten te kijken op een dwaalspoor zit. Ze wordt ertoe bewogen op zoek te gaan naar een andere mogelijkheid ‘bij het leven te komen’. In september 1942 schrijft ze dat ze niet goed weet hóe bij het leven te komen. ‘Dat was, omdat ik nog niet bij het leven in mijzelf gekomen was.’
Temidden van de onmenselijke hogedrukketel van de oorlog en de vervolging van de joden, leert ze door te dringen tot haar kern. En daarmee tot de kern van ons aller bestaan. ‘Het leven in mij heb ik weten te bereiken ( )’. Ze omschrijft de weg er heen als volgt: ‘Ik heb bij mensen wel eens het gevoel of ze te massief zijn, ze me het uitzicht op iets benemen, een gevoel, ze van me af te willen duwen. Wat verwacht je voor een uitzicht, als je al het substantiële om je heen wegduwt? Verwacht je daar dan de échte werkelijkheid? Niet het substantiële wegduwen, maar doorhéén kijken, het zó doorbelichten met je begrip dat het transparant wordt en de daarachterliggende werkelijkheid opduikt. Niet wegduwen, omdat je dan in het luchtledige komt, maar dóórlichten. ( ) Je hebt nergens voor je zelf een houvast aan concrete dingen in deze dagelijkse werkelijkheid, je gaat er aan voorbij omdat je opzoek bent naar een andere werkelijkheid, maar die weg gaat alleen maar door die substantiële, grijpbare, realiteit. Als je die verwaarloost, tuimel je op een gegeven moment in het luchtledige en mis je je houvast. En sta je daar opeens als een dronken dwaas.’
Ze doorklieft de wilde, ja, overweldigende golven van de gebeurtenissen en ervaart de grote oceaan in zichzelf: ‘Wanneer men, na een lang en moeizaam proces, dat dagelijks verder gaat, is doorgebroken tot die oerbronnen in zichzelf, die ik nu maar God wens te noemen, en wanneer men er voor zorgt, dat die weg tot God vrij en onverbarricadeerd blijft – en dat geschiedt door ‘werken aan zichzelf’ – dan vernieuwt men zich steeds weer aan die bron en dan hoeft men ook niet angstig te zijn, dat men te veel krachten geeft.’ ( ) ‘En zo is mijn levensgevoel tegenwoordig: mijn leven gaat als een grote, rijke, machtige stroom door me heen, gevoed door oneindig vele kleine bijriviertjes…’
Ze komt in Westerbork en verstaat de medemens en tijd: ‘En toen werd ik plotseling geslingerd in een brandpunt van menselijk lijden, aan één van de vele kleine fronten die over heel Europa zijn. En daar beleefde ik plotseling dit: uit de gezichten van de mensen, uit duizenden van gebaren, kleine uitingen, levensgeschiedenissen, begon ik deze tijd – en veel meer dan deze tijd alleen – bijeen te lezen. Doordat ik in mezelf had leren lezen, bemerkte ik, dat ik ook in anderen kon lezen. Het is me daar werkelijk geweest, alsof ik met gevoelige vingertoppen getast heb langs de contouren van deze tijd en van het leven. Hoe komt het toch, dat dat met prikkeldraad omrasterde stukje heidegrond, waar zoveel mensenlot en –lijden áán en dóórspoelde, als bijna liefelijk in m’n herinnering is achtergebleven? Hoe komt het dat m’n geest daar niet verduisterde, maar veeleer verlicht en verhelderd is? ( ) Daar tussen de barakken, vol opgejaagde en vervolgde mensen, heb ik de bevestiging gevonden van mijn liefde voor dit leven.’
Haar innerlijke proces roept ons allen aan. Het gaat er niet om wat we ervaren weg te drukken of te ontkennen, integendeel. Het is juist dát, die directe ervaring in en van ons alledaagse bestaan, waar de ingang tot onze innerlijke wereld zich bevindt. Ze schrijft: ‘Men loopt zo vaak weg van zichzelf – men ziet en hoort dit voortdurend om zich heen – onder het motto: dat is toch niet belangrijk, of: er gebeurt zoveel belangrijks in de wereld, dan kan ik toch niet teveel drukte van mezelf maken. En er blijft zo verschrikkelijk veel in deze mensen liggen als onverwerkte grondstof, omdat ze geloven dat hún grondstof de moeite van het bewerken niet waard is.’
‘Ach we hebben het toch immers alles in ons, God en hemel en hel en aarde en leven en dood en eeuwen, vele eeuwen. Een wisselend decor en handeling van de uiterlijke omstandigheden. Maar wij dragen alles in ons en de omstandigheden zijn tóch niet het doorslaggevende, omdat er immers altijd omstandigheden zullen zijn, goede en slechte en het féit van de omstandigheden, de goede en slechte moet men aanvaarden, wat niet belemmert, dat men zijn leven er aan kan wijden de slechte te verbeteren. Maar men moet weten, uit welke motieven men die strijd voert en moet beginnen bij zichzelf, iedere dag opnieuw bij zichzelf.’
Bron: En mijn verrukte ogen lezen – Etty Hillesum lezing 2000
Foto: Kamp Westerbork , kunstenaar: Ralph Prins (foto: Gouwenaar – Wikipedia)
Meditatie – plaats nemen en ervaren wat gaande is
Wat voor velen herkenbaar zal zijn, is de worsteling tussen voor jezelf zorgen en voor de ander, voor de omgeving. Hoe bewaar ik daarin een soort van evenwicht? Is er een mogelijkheid te handelen in dienst van mezelf en tegelijkertijd van de omgeving? Hoe bewaar ik een zekere gelijkmoedigheid onder de omstandigheden en in situaties? Hoe kan ik bij de ander laten wat bij de ander hoort? Dat zijn grote uitdagingen die ons een leven lang bezig houden. We komen daarin onvermijdelijk telkens weer onze patronen en conditionering tegen. In feite drukken situaties en de personen daarin telkens op knoppen die van alles in ons oproepen. Het is niet altijd wat we willen en waar we om vragen. De omgeving en anderen op afstand zetten, is een mogelijkheid. En soms nodig. Maar het is maar één facet. Want een ander facet is wat ons in de directe ervaring wordt getoond: namelijk dat we onlosmakelijk en onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Elke situatie heeft in die zin twee kanten van een en hetzelfde: mijn persoonlijke indruk en ervaring als zijnde de uitdrukking van totale openheid, het Ene waarvan niets en niemand is uitgesloten.
In mijn ogen is elke situatie en elke ervaring een uitnodiging om daarnaar te kijken en waar mogelijk de emoties en gevoelens die opkomen ’te laten’, er niet al te veel mee te doen, niet te voeden. Dat verheldert, zowel de patronen, als de eenheid en verbondenheid. Het kan me duidelijk maken dat handelen geboden is. Of afwachten. Of het helemaal laten rusten. En daar kan nu juist meditatie behulpzaam zijn. Het is als een brug tussen realisatie en manifestatie. Onze beoefening biedt een mogelijkheid om in onszelf tegelijkertijd tegenover onszelf plaats te nemen en te zien wat er gaande is. Niet alleen op het kussen maar door de dag heen, in ons alledaagse bestaan, uiteindelijk als zijnde ons alledaagse bestaan. Niet zozeer om een begrijpelijk antwoord te krijgen, maar vooral om zaken die we lastig vinden, toe te laten, om te beseffen: dat is (ook) mijn bestaan, dat ben ik ook. In feite weten we op een of andere manier wel wat ons te doen staat, en de vraag daarbij is steeds, wat hindert mij?