Leven is in de spirituele context geen kwestie van ‘ik doe wat ik wil’. In spiritualiteit staat het zoeken via de innerlijke weg centraal, het zich geleidelijk en uiteindelijk openen, zelf de Bron ervaren en als zijnde manifestatie en drager van die bron daaruit gaan leven en er in de praktijk uitdrukking aan geven. Er is een kracht die leven en dood in zich draagt en die de roep tot leven en ontplooiing bij ieder van ons neerlegt. Het is niet vrijblijvend. Het is zaak te ontdekken wat ons te doen staat, de betekenis en zin ervan te achterhalen en voor te leven. De zin en betekenis die volledig zit in elke handeling en gedachte omwille van de handeling en gedachte als uitvloeisel van de situatie die wordt gegeven en nooit hetzelfde is. De situatie waarin alles en iedereen inwerkt op alles en iedereen.

Het is heel concreet want ons alledaagse doen en laten. En tegelijkertijd één groot Mysterie.

Daaraan is niets zweverigs, het is zo concreet als het maar zijn kan, het betreft namelijk de ervaring van je totale leven, hier en nu, op dit moment, zoals het zich ontvouwt en zoals je het ervaart.

De Middeleeuws mysticus Meister Eckhart biedt hiervoor een ingang:

‘Voor het werkzaam-zijn put men nergens anders uit dan uit dezelfde grond van het schouwen en maakt dat vruchtbaar in het werkzaam-zijn. Hoewel daarbij van beweging sprake is blijft het toch één zaak: het komt voort en keert terug in één punt en dat is God. Zo is werkzaam zijn niets anders dan het schouwen in God. Het ene rust in het andere, het ene volbrengt het andere.’

We leven teveel vanuit het geschapene, zegt Eckhart, in de vergankelijkheid van de buitenwereld en verwonderen ons dan dat het leven ons uit balans brengt en geen blijvende voldoening en innerlijke vrede brengt. We veronachtzamen en tegelijk missen we dat wat ons en alles schept, nl de kracht van de geest waarin alles één is en die alles omvat.

In feite zijn het geschapene (profane) en scheppingskracht (sacrale) zijn één. God toont zich, manifesteert zich in alle dingen. Daarom zeggen we: alles geschiedt met, in en door Gods Wil. We kunnen er onmogelijk aan ontsnappen maar we herkennen het niet. Dat gebeurt pas als we onze blik voor een ogenblik ook werkelijk Gods blik laten zijn, pas dan zien we onszelf in alle dingen.

God is een naam verwijst naar het mysterie, het Absolute dat Ruusbroec het Naamloze noemde. In andere culturen wordt ernaar verwezen in begrippen als Zelf, Atman, Boeddhanatuur, Allah.

Aandacht aanwezig zijn, inkeren. Inkeer duidt op jezelf innerlijk ‘verzamelen’ door alles te ‘laten’ wat er opkomt en door puur aanwezig te zijn sensitief te worden voor het mysterie, de eenheid van de Heilige Geest en de daaraan verbonden alomvattende stilte. ‘Gelatenheid’ is niet hetzelfde als onverschilligheid of niets doen. Het is niet ‘iets’ doen. We laten de buitenwereld voor wat die is. Evenals alles wat op komt. Met andere woorden, we doen er ‘niet teveel mee’. We keren steeds weer terug naar ‘hier’, we keren in. Er is aanwezigheid, schouwen, hier zijn (waar we overigens al zijn en altijd al waren) en daarmee als vanzelf bij de handelingen en de dingen zijn, meer nog, in de handelingen en de dingen, waarachtig zijn. De aangeleerde neiging om direct te reageren op prikkels en neigingen ‘laten’ we. We gunnen de zintuigen een vakantie. Niet ik adem, ‘het’ ademt. Gedachten laten we komen en gaan. We staan open voor…ja, wat is het wat zich aan mij voordoet , wat door mij heen gaat, wat is dit zien, dit bewegen, horen, proeven, bewegen, voelen? Dat is de beoefening van gebed en meditatie en het kost tijd, want uiteindelijk is het een je laten veroveren door, een opgaan in het grotere geheel. De sluier valt weg, de mist trekt op, de appel valt van de boom.

Aldus versmelt ‘ik’ in de tijd met het antwoord op de vraag: Wat raakt en bezielt mij?