De Kerst ligt al weer weken achter ons. Of toch niet? We ervaren het niet altijd zo, maar een viering als het Kerstfeest gaat qua betekenis wat verder dan de twee dagen in december. Hetzelfde geldt voor Carnaval en andere evenementen met een traditioneel religieuze achtergrond, dat geldt voor de Christelijke maar evengoed voor een andere religie die men belijdt. Christelijke religieuze dagen liggen weliswaar verankerd in de wet als vrije dagen, maar het zijn dagen die (voor mij) hun basis en betekenis vinden in algemene levensverhalen. Het betreft hier vieringen die in de kern verwijzen naar ons leven, naar de verhouding tussen mens en bestaan, meer nog, naar hoe we naar eer en geweten vorm en inhoud geven aan het leven.

Kerst is de viering van de boom van licht als zijnde het symbool voor het levenslicht, en van de (weder)geboorte van dat licht in de mens. We hebben als levende getuigen daarvan daarmee een kostbare band te onderhouden, namelijk die van onszelf met dit bestaan, een bestaan dat alles en iedereen omvat. Tijdens de Kerst vieren we dan ook de saamhorigheid, de Vrede op aarde, de geboorte van het Kerstkind. De originele boodschap is niet dat we ons voeden met de aanbiedingen en menu’s van Albert Heijn of Deen, maar met het geestelijk brood, het voeden van het bewustzijn dat we in de geest met alles en iedereen verbonden zijn. En dat we kunnen leven vanuit de inspanning om op goede voet met de omgeving te staan of in conflict daarmee. De vraag is elke dag opnieuw: Kan ik in de verdeelde wereld waarin ik leef en werk de natuurlijke eenheid waarin we allen staan in oprechtheid onderhouden? De boom licht op voor mijn ogen als ik het leven recht doe en die eenheid ervaar en dooft zodra ik in conflicten en verdeeldheid verdwaal. Dat is de uitdaging van de geest van Kerst in het leven van alledag. Kunnen we ook nu en in de rest van het jaar in ons leven het licht van de boom ervaren?

Op de drempel van het nieuwe jaar, 2018, is het een goede gewoonte in kort bestek een terugblik te geven op wat er in het voorbije jaar gebeurd is. Via media en verhalen in onze omgeving horen we in beeld en geluid volop over gebeurtenissen uit dit jaar. En wij dragen, op onze beurt en op onze wijze met onze eigen kijk en verhalen, bij aan die gebeurtenissen. Gebeurtenissen staan niet op zichzelf, zoals mensen niet op zichzelf staan. We zijn geen eiland. Elk leven raakt andere levens, het zit vol ontmoetingen en elkeen draagt bij aan mijn weg zoals ik een bijdrage lever aan het leven van anderen. We zijn daarmee directe getuigen. Met ons leven leggen we getuigenis af van de connectie, de band met onze omgeving, dichtbij en ver weg. Deze band is onlosmakelijk, onverbrekelijk.

Onlangs realiseerde ik me weer eens hoe immens en omvangrijk en veelzijdig het moment is dat ons onophoudelijk toevalt. Misschien jagen we soms teveel na en maakt ons dat blind voor het wonderlijke van dit ogenblik. Het leven zelf valt ons daarin als vanzelf toe, de hele enormiteit, met alles erop en eraan, met vreugde en verdriet. Een persoonlijk vermogen dat we in deze tijd van prestaties en resultaten, niet zelden te weinig ruimte geven is de verwondering. Terwijl we opgroeiden, verdween het naar de achtergrond en zijn we de aanwezigheid ervan vergeten. We kunnen het herontdekken en onderhouden. Wees naïef, sta open, vergeet alle scholing en reserves. Verwonder je. Bijvoorbeeld over alles wat zo dichtbij is en waar we zo snel over heen kijken. Over de vermogens te kunnen zien, horen, proeven, bewegen, spreken, luisteren.

Bedenk hoe wonderlijk het is dit alles te kunnen doen. In staat te zijn tot handelen. Hannah Arendt, Duits-Amerikaanse Joodse filosofe en politiek denker,  noemde het spreken en handelen van de ‘handelende’ pure zelfonthulling. Daarin onderscheiden we ons van elkaar  en daarin verschijnen we aan elkaar als mens. Dit verschijnen aan elkaar berust op ‘beginnen’. Het is de schepping van het universum zelf. De Engelse mystica Evelynn Underhill zei hiervan: onder al ons denken en voelen hangt het universum. Met andere woorden, alles wat was, is gebeurd en zal zijn, en wat we diep in ons hart zoeken, is reeds aanwezig in wat we doen en denken, in elke stap die we zetten. Met ons spreken en handelen treden we keer op keer, vanaf onze geboorte, de mensenwereld binnen. Alleen wanneer we ons niet bewust zijn van het wonderlijke hiervan, en van de onlosmakelijke afhankelijkheid van anderen hiervoor, zijn we in staat tot het geweld aandoen van de autonomie van de ander als medemens. Handelen zet iets in gang. Met elke daad, met elke gedachte dragen we als individu bij tot de evolutie. Ons individuele bestaan heeft invloed. En het is altijd de vraag op welke wijze ik wil of kan bijdragen aan dit bestaan, voor anderen en voor mijzelf.

Hannah Arendt schrijft over het unieke karakter van de mens en van diens handelen. Handelen wil zeggen een initiatief nemen. De drang ertoe ontspringt aan het nieuwe begin dat in de wereld kwam toen wij werden geboren en wij  geven aan deze drang gehoor door uit eigen beweging iets nieuws te beginnen. Het was Augustinus die schreef: opdat er een begin zij werd de mens geschapen; voor hem was er niemand. Elke handeling brengt iets nieuws teweeg, aldus Arendt. Ze noemde het ‘het verrassend onverwachte’. ‘Dit karakter van het verrassend onverwachte dragen alle aanvangen en alle oorsprongen.’ Het is een oneindige onwaarschijnlijkheid van de anorganische processen die zich afsprelen in het heelal of de evolutie van menselijk uit dierlijk leven. Dat de mens in staat is tot handelen, zo zei ze, betekent dat het onverwachte van hem kan worden verwacht, dat hij kan waarmaken wat in de hoogste mate onwaarschijnlijk is. ‘En dit weer is slechts mogelijk omdat ieder mens uniek is, zodat er met iedere geboorte iets in de wereld komt wat op unieke wijze nieuw is. Met betrekking tot deze iemand die uniek is kan in waarheid worden gezegd: daar was voordien niemand.’ Met de schepping van de mens is het beginsel ‘beginnen’ geschapen, een begin maken, in de wereld zelf komen. Het is volgens Arendt een andere manier om te zeggen dat hte beginsel ”vrijheid’ werd geschapen toen de mens werd geschapen, niet eerder.

Ieder mens is uniek en leeft een eigen, uniek spoor dat echter nauw verweven en verstrengeld is met alle anderen. We zijn zo gewend tot logisch denken, tot aandacht focussen, kanaliseren en versmallen dat het grotere geheel, en het bijzondere vlak voor onze voeten, letterlijk ons buiten beeld valt. Maar zodra we de aandacht de vrije loop kunnen (en durven) laten, zal dit enorme vermogen als een beek weer in de immense oceaan van ons bestaan terugstromen en zal de oceaan zelf zich voor onze ogen ontvouwen, de oceaan van leven waarin we én uniek zijn én verbonden met alles en iedereen. Dat ervaren is letterlijk adembenemend, te groots voor woorden. Maar de ervaring ervan helpt ons met andere ogen te kijken en met meer vertrouwen open te staan voor wat komt, voor dat nieuwe dat we scheppen. Het zal ons helpen om de volgende pagina van dit onwaarschijnlijke avontuur om te slaan, om nieuwe stappen te zetten, nieuwe uitdagingen aan te gaan, alles steeds weer opnieuw te zien met en vanuit die frisse blik. Verwelkomen is een even vast ritueel als afscheid nemen. Maar het betekent niet dat we alles voorgoed achter ons laten, integendeel, het betekent juist dat wat we hebben meegemaakt kunnen laten doorklinken in het nieuwe. Het wonderlijke is dat alles op ons pad ons daartoe kan helpen en ondersteunen. Dat kunnen ervaren, onthult de zinvolheid van dit bestaan.

Alles goeds voor 2018

bron:
Hannah Arendt, De menselijke conditie
Evelyn Underhill, Praktische mystiek voor nuchtere mensen

Zen is een weg van bevrijding, verlossing. Bevrijding waarvan? Van het idee dat er een ik, een zelf is. Wie of wat is het die dit leest? Er is geen middelaar in de vorm of persoon van een ‘ik’. Er is enkel het zien, horen, proven, aanraken, het pure ervaren als manifestatie van dit ogenblik, de beweging van de geest in harmonie met alles en iedereen. Zodra we er een ‘ik’ aan verbinden ontstaat de duale kijk tussen een ‘zelf’ en de omgeving.

Echter, elke situatie is ten volle ongeboren aanwezigheid, heelheid, tegenwoordigheid van geest. We zien dit niet zo omdat we uitgaan van een vanzelfsprekend bestaand ‘ik’ dat wil controleren, wil hebben, wil weten, dat bevrediging, prestaties, bezit. Het ‘ik’ wil altijd iets, is niet tevreden met dit ogenblik maar zoekt naar iets achter de horizon, de vervulling van een droom, een wens, verlangen. Dit gewone, alledaagse, saaie, veeleisende en vaak pijnlijke bestaan kan volgens het ‘ik’ onmogelijk de zin van het leven bevatten noch manifestatie zijn van die zin. Het levensdoel, bijvoorbeeld vrijheid of rijkdom zitten in iets anders, het moet beantwoorden aan wat we ons ervan voorstellen en wat we willen. Bovendien, wat we najagen moeten we kunnen begrijpen, kunnen definieren en kunnen bezitten. En wat ons in de weg zit moeten we uit de weg kunnen ruimen. Die hardnekkige kijk en vooronderstelling is de belemmering die we opwerpen om het totaal van dit ogenblik te kunnen ervaren. De bizarre paradox is dat het juist om opgave van ‘ik’ vraagt om die totaliteit, het absolute nul-punt, te ervaren, de ware natuur van het bewustzijn dat het ‘ik’ voortbrengt.

Het gaat er niet om het ”ik” op te heffen. Het gaat er om te zien wat de ware aard is van wat we ervaren – ons denken, dit lichaam, alle zintuigen, alle verschijnselen en alle levende wezens. Als we dit nauwkeurig bestuderen, als we de totaliteit van aanwezigheid is ervaren, zien we met de oorspronkelijke klaarheid van onze blik dat dit leven of bestaan in zijn pure verschijningsvorm leegte is. Het heeft geen substantie, het bestaan is een holle ruimte, een oceaan waarin alles en iedereen een plaats heeft, een overvloed aan leven dat ons elk moment toevalt. Het is overweldigend, voor een mens teveel om aan te kunnen, teveel om te kunnen begrijpen. Dit bestaan, deze oceaan van oneindigheid en alomvattendheid is in de kern wat we Boeddhanatuur of God noemen. In de sutra’s wordt het omschreven als Juweel, Diamant.

Zodra we de onjuistheid van (de gehechtheid aan) een vast ik-concept kunnen doorzien en laten vallen, ervaren we dat mijn leven alle leven omvat. Het is geen persoonlijk bezit, kan niet gekocht of verkocht worden. Dit Juweel van het bestaan is pure ervaring. Vanuit die ervaring als grenzeloze context kunnen we het fenomeen ‘ik’ in vrijheid gebruiken en leven. Met alle pijn en verdriet, vreugde en blijdschap, ongemak en gemak. Met onze neus die ruikt, oren die horen, ogen die zien. Vanuit het diepe besef (niet-weten) wat we in werkelijkheid zijn, ervaren we een diepe onverbrekelijke verbondenheid. Aanwezigheid, deze situatie is immers grenzeloos, peilloos diep, oneindig, we weten niet waar een situatie begint of eindigt, we weten niet waar het bestaan begint of eindigt, waar ‘ik’ begin of eindig. Om die oneindigheid, dit Juweel in alles te bekrachtigen rest me het leven te leven, aanwezigheid voor te leven. Daarin, en alleen daarin, ligt bevrijding. Vrijheid reist met ons en openbaart zich enkel in het besef van een diepe verbondenheid met alles en iedereen.